charlies_country.jpg

Charlie’s country

Charlie’s country

Daar zit hij voor zijn rechthoekige hutje, bekleed met doeken. Soms droomt hij van een echt huis, maar eigenlijk voelt hij zich alleen thuis in de bushbush. Bij een vuurtje rookt hij een sigaret. Af en toe schuift er een vriend bij hem aan, vraagt hem om raad, of om wat eten of drank. Iedereen in het Australische dorp kent de oude, pezige Charlie met zijn getekende gezicht, grijze krullenkop en witte baardje.

Charlie moet rondkomen van een kleine uitkering die hij maandelijks op het postkantoor ophaalt en in het supermarktje meteen te gelde maakt aan wat boodschappen. Daar moppert hij op het ongezonde voedsel van de blanken. Mopperen kan hij sowieso goed, vooral op de politie die hem steeds dwars zit. Ze hebben zijn jachtgeweer in beslag genomen nadat hij met een vriend een buffel heeft geschoten, en wat later moet hij ook zijn zelfgemaakte speer inleveren. Hij begrijpt het niet: hij heeft ze nog wel geholpen met de opsporing van een paar criminelen – die hij overigens eerst de weg heeft gewezen naar een mooi maar illegaal jachtgebied.

Charlie heeft er genoeg van. De wetten van die blanken passen hem niet en hij trekt de jungle in. Daar kan hij zichzelf zijn en leven volgens de tradities van zijn volk, al blijkt de werkelijkheid toch iets weerbarstiger.

CHARLIE’S COUNTRY is de veertiende film van de in Nederland geboren regisseur Rolf de Heer, die al eerder filmde over de Aboriginals (TEN CANOES). Het pure acteren van Aboriginal David Gulpilil – hij schreef ook mee aan het scenario – is indrukwekkend. In Cannes werd hij voor deze rol bekroond met de prijs voor beste acteur binnen het belangrijkste bijprogramma Un Certain Regard.