Café Society

Dit jaar kreeg Woody Allen de eer om het festival in Cannes te openen met de nieuwste loot aan zijn inmiddels flink uitdijende filmboom: CAFÉ SOCIETY. Met een productie van nog steeds één film per jaar kun je toch wel spreken van een overactieve tachtiger – als er iemand in het harnas zal sterven, dan is het Allen.

CAFÉ SOCIETY heeft weer alles in zich wat je van een Allen-film mag verwachten: een goed verteld verhaal, een passende entourage, een (gedoemde) romance en nostalgie, religieus en cultureel bepaalde achtergronden. Plus natuurlijk zijn karakteristieke dialogen. Tel daarbij het spel van gerenommeerde acteurs en je hebt een heerlijk avondje uit.

CAFÉ SOCIETY is een fijn liefdesverhaal dat zich in de jaren dertig afspeelt op twee locaties: Hollywood en New York. Bobby Dorfman (Jesse Eisenberg) is een wat neurotische intellectueel, opgegroeid in een eenvoudige joods gezin in de Bronx. Hij vertrekt naar Hollywood om te gaan werken bij zijn oom Phil (Steve Carell), een pedante studiobaas. Daar ontmoet hij diens secretaresse Vonnie (Kristen Stewart) en hij is meteen verkocht, al houdt hij dat nog lang voor zich. Maar Bobby heeft pech: Vonnie is al bezet. Ze doet het met haar baas, zoals gebruikelijk in die omgeving. Hoewel de twee veel voor elkaar voelen trekt Bobby aan het kortste eind en keert hij terug naar New York. Daar lacht het succes hem toe: hij trouwt, wordt vader en een geziene nachtclubeigenaar. Toch blijven zijn herinneringen aan Vonnie aan hem knagen.