life.jpg

Life

Life

In de vierde film van Anton Corbijn worden we opnieuw getrakteerd op onvergetelijke beelden – ook als regisseur blijft Corbijn met zijn fotografenoog kijken. LIFE opent met een knetterende rode lamp in een donkere kamer waar fotograaf Dennis Stock aan het werk is. Een prachtig shot dat later in de film terugkeert. Zo zijn er meer, véél meer.

We zijn in Los Angeles, 1954. Dennis (Robert Pattinson) is een fotograaf en werkt in opdracht van het fotografencollectief Magnum. Hij wordt er meestal op uitgestuurd om filmsterren vast te leggen. Dat doet hij goed, maar Dennis wil meer: reportages maken, zijn werk tentoonstellen en uitgeven. Kortom: van vakman naar gevierd kunstenaar opklimmen. Maar volgens zijn opdrachtgever is geduld een schone zaak en is zijn portfolio nog ontoereikend. Dennis moet dan ook het behang van de muur praten voor hij toestemming krijgt om voor LIFE Magazine een reportage te maken over een opkomend acteur, James ‘Jimmy’ Dean (Dane DeHaan). Dennis kan de acteur niet uit z’n hoofd zetten na hun eerste ontmoeting op een Hollywood-feestje. Hij ziet een grootse toekomst voor Jimmy weggelegd – én voor hemzelf als hij de kans krijgt deze acteur te fotograferen. Dat dát alleen al een opgave wordt, kon Dennis niet bevroeden. Jimmy is onberekenbaar, eigenzinnig, wat mysterieus. Hij wil acteren, alle gedoe eromheen kan hem gestolen worden – van fotosessies tot jetset-feesten. Toch krijgt Dennis een voet tussen de deur wanneer ze beiden in New York zijn. Eén foto is meteen raak: Dean op een natte Times Square, weggedoken in z’n jas, sigaret in de mond. Het wordt een iconisch beeld. Er volgen er meer van hun wat ongemakkelijk samenzijn op de boerderij waar Jimmy opgroeide. Echte vrienden worden deze twee mannen niet.