The man who wasn’t there icon_trailer.png

De regieprijs van het Filmfestival van Cannes ging in 2001 ex aequo naar David Lynch en Joel Coen. Lynch won met MULHOLLAND DRIVE, Coen met THE MAN WHO WASN’T THERE. Een terechte bekroning voor de regisseur, die samen met zijn broer Ethan als producent opnieuw een juweeltje afleverde. De film wijkt volstrekt af van hun eerdere successen (BLOOD SIMPLE, FARGO, O BROTHER WHERE ART THOU), maar is minstens zo orgineel, spits en grappig.
Centraal in THE MAN WHO WASN’T THERE staat de bescheiden en zwijgzame kapper Ed Crane (een sublieme Billy Bob Thornton), die het niet bepaald meezit in het leven. In een doorgroefde voice-over vertelt Crane gedurende de film zijn relaas: zijn vrouw pleegt overspel met haar baas, zelf wordt hij tweemaal voor veel geld opgelicht door een zakenman en een dure advocaat, en een Lolita-achtige avance met de dochter van zijn vriend loopt faliekant mis.
THE MAN WHO WASN’T THERE is een ode van de Coen-broers aan de klassieke film-noir, al geven zij het genre een volstrekt nieuwe draai. Heel opvallend aan de film is de fotografie van cameraman Roger Deakins, die de film in zwart-wit schoot. Nou ja, zwart-wit: Deakins gebruikte allerlei schakeringen van zwart, sepia en zilver, en toverde een aantal verbluffende lichteffecten uit zijn lens. Het maakt het genot van de film des te groter.